Print

Bloeddrukverlagers

Bloeddruk verlagers & Ace Remmers

Het enzym angiotensine converting enzyme (ACE) speelt een cruciale rol binnen het renine-angiotensinesysteem. Veel bloeddrukverlagende middelen (bijv. enalapril, cilazapril) werken via ACE-inhibitiemechanismen. Daarentegen zijn het aantal nevenwerkingen ontelbaar (hoofdpijn, duizeligheid, depressie, enz.).

Effecten op nierfunctie

In het verleden was het niet ongebruikelijk om laboratoriumtesten in z.g. panels (clusters) aan te vragen. Hierbij worden verschillende testen aangevraagd die elk afzonderlijk kunnen duiden op stoornissen in b.v. de functie van de lever (ALT, AST, ALB, AP, CHE, GGT, LD, TBI, DBI), de nieren (UR, CR, K, NA, UA, TP) of het hart (LD, AST, ALT, CK, CMB). Met de opkomst van de automatisering en mechanisering werden in het verleden (jaren ‘70-‘80) de 20 meest aangevraagde testen simultaan uitgevoerd in een multikanaalsysteem.

De 20 testen werden standaard bepaald en de resultaten doorgegeven, zelfs als er maar één was aangevraagd. Deze aanpak werkte de aanvraag van het zogenaamde “profiel” in de hand, waarmee de arts een indicatie trachtte te krijgen uit de ongerichte aanvraag van laboratoriumgegevens, soms reeds voordat de patiënt op het spreekuur was gezien. Deze werkwijze is thans verlaten, deels vanwege de kosten, maar vooral vanwege de lage opbrengst van deze strategie om pathologie aan te tonen dan wel uit te sluiten en de hoge opbrengst aan “toevalsbevindingen”. De huidige rationele tegenhanger van de vroegere “panels” en de ongerichte aanvraag van de favoriete top-20 klinisch chemische testen is het “probleemgeoriënteerd aanvraagformulier”. Deze wijze van aanvraag doet in toenemende mate zijn intrede in de huisartsenpraktijk. Op geleide van de symptomatologie (b.v. vage klachten, moeheid, cardiale klachten), differentiaaldiagnose, reeds ingestelde therapie (vervolg behandeling met ACE remmer, controle diabetes mellitus) of een andere invalshoek (b.v. keuring,) worden hierbij op wetenschappelijke gronden een aantal testen aanbevolen die het beste inzicht geven in de onderhavige problematiek. Voorbeelden hiervan zijn: algemeen onderzoek (bezinking, Hb, glucose, TSH, creatinine, ALAT), anemie (Hb, MCV, ferritine, Fe, PLT, Reticulocyten, LDH, vitamine B12, foliumzuur), cholesterol (cholesterol, cholesterol/HDL- cholesterol, ALAT, GGT, TSH, glucose, urine eiwit) en keuring (glucose, bezinking, cholesterol, HIV).

Ondanks de toenemende rationalisering van aanvragen wordt helaas nog steeds niet altijd de maximale informatie uit laboratoriumtesten gehaald. Dit is reden om het gebruik van laboratoriumonderzoek verder te rationaliseren aan de hand van wetenschappelijke kennis. Vragen die de arts zich dient te stellen alvorens hij/zij besluit tot laboratoriumonderzoek zijn o.a.:

1) waarom vraag ik deze test aan,

2) waarnaar kijk ik als de uitslag komt,

3) hoe beïnvloedt het resultaat mijn diagnose,

4) hoe beïnvloedt het resultaat de behandeling,

5) is dit onderzoek uiteindelijk nuttig voor de patiënt,

6) kan deze informatie op goedkopere wijze worden verkregen en

7) welk duurder onderzoek kan door deze test vervallen.

Eén van de redenen dat deze vragen gesteld moeten worden is dat laboratoriumtesten niet perfect zijn voor het beoogde doel: er zijn slechts weinig testen die een eenduidig antwoord geven op de gestelde vragen. Hoe komt het dat laboratoriumuitslagen niet perfect zijn voor het gestelde doel? Deels is dit gelegen in analytische imperfectie (analytische factoren). Het grootste aandeel in de imperfecte diagnostische waarde van de gebruikte parameters komt echter voort uit de met de natuur samenhangende onvermijdelijke intra- en inter-individuele biologische variatie (biologische variatie) en het feit dat een enkele ziekte niet altijd gelijke veranderingen in een parameter teweegbrengen (pathologische factoren). Denk bij laatstgenoemde bijvoorbeeld aan het stadium van de ziekte. Logischerwijs denken analytici vanuit hun opleiding vooral aan het optimaliseren van analytische factoren, terwijl artsen doorgaans de neiging hebben om laboratoriumgegevens vooral vanuit hun pathologische kennis te benaderen. Het gaat echter om een samenspel van deze drie factoren, waarbij het de taak van de klinisch chemicus is om de analytische en biologische variatie te optimaliseren, teneinde te komen tot een bij voorkeur eenduidige interpretatie van de uitslag ten behoeve van het medische doel.

Bron: Lesboek Gezondheidsleer 2012

Share, , Google Plus, Pinterest,